Gevestigde energiebedrijven zijn onmisbaar

06-09-2019

Gisteren sprak CEO Annie Krist op de opening van het academisch jaar van de Faculteit Economie en Bedrijfskunde in Groningen. Kernboodschap: zonder de gevestigde energiebedrijven wordt de tijdige energietransitie bijzonder moeilijk, zo niet onmogelijk.

5 september 2019

Lezing Annie Krist, CEO GasTerra, bij gelegenheid van de opening van het academisch jaar van de Faculteit Economie en Bedrijfskunde Rijksuniversiteit Groningen.

Dames en heren,

Ik wil graag beginnen met de universiteit te danken voor de eervolle uitnodiging om te spreken tijdens de officiële opening van het academisch jaar. Eervol omdat de Groningse universiteit mijn alma mater is. Eervol omdat de opening een hoogtepunt in het academisch leven is. En bemoedigend, omdat ik in de complexe en turbulente transitie naar een nieuw en klimaatvriendelijk energiesysteem bij deze gelegenheid mag spreken namens de gevestigde orde. Er zijn kennelijk nog genoeg mensen die erkennen dat zonder die gevestigde orde de overgang van een energie-economie die afhankelijk is van fossiele bronnen naar één die genoeg heeft aan hernieuwbare energiedragers, een stuk moeilijker zo niet onuitvoerbaar is.

Mijn onderneming, GasTerra, begrijpt dit al sinds haar oprichting in 2005. En we handelen daarnaar. GasTerra heeft de afgelopen 15 jaar vele miljoenen euro’s besteed aan transitieprojecten en onderzoek en bewustwording op dit vlak. De geschiedenis van onze bijdrage aan de energietransitie gaat in feite zelfs verder terug, tot de periode waarin Gasunie nog niet was gesplitst in een transport- en handelspoot. De wat ouderen onder ons herinneren zich hoe sinds de eerste oliecrisis in de jaren zeventig energiebesparing een hot item werd. Gasunie droeg daar actief aan bij door de ontwikkeling van de HR-ketel te stimuleren en faciliteren. We vergeten gemakkelijk dat zonder die innovatie het Nederlandse verwarmingssysteem aanmerkelijk inefficiënter zou zijn dan vandaag. Weinigen beseffen bovendien dat de rest van de wereld op dit vlak nog een enorme omslag moet maken. Het merendeel van de tientallen miljoenen verwarmingsketels is van de ouderwetse soort. Grootschalige vervanging daarvan levert een land al snel tientallen procenten CO2-reductie op. Hetzelfde geldt overigens voor isolatiemaatregelen en de vervanging van kolen en olie door aardgas.

Deze aandacht van een vertegenwoordiger van de gevestigde energie-orde voor vermindering van het energiegebruik en – in latere jaren – de noodzaak om over te schakelen op een klimaatvriendelijker energiesysteem lijkt paradoxaal. Waarom zouden energiebedrijven die afhankelijk zijn van de productie, verkoop en distributie van fossiele brandstoffen, actief meewerken aan een beleid dat de afzet van deze producten vermindert?

Dat doen deze bedrijven, dames en heren, hopelijk omdat ze maatschappelijk verantwoord willen ondernemen, maar vooral ook uit welbegrepen eigenbelang. Het is immers voor iedereen duidelijk dat het huidige op fossiele energie gebaseerde energiesysteem zijn beste tijd heeft gehad. Dat we zo snel mogelijk naar een klimaatneutrale energievoorziening moeten, dus weg van fossiel, wordt alleen betwist door een groep die althans in Europa geen betekenisvolle bijdrage aan het maatschappelijke debat levert. Dat betekent voor mijn sector dus ook dat het gebruik van aardgas uiteindelijk zal worden beëindigd. Het feit dat dit op korte en middellange termijn juist, zoals in Duitsland maar daar niet alleen, betekent dat we méér aardgas gaan gebruiken, lijkt tegenstrijdig maar is het niet. De energietransitie is geen rechte stijgende lijn maar een weg met veel haarspeldbochten, hobbels en gaten. Maar het doel is helder: nul bijdrage van menselijke activiteit aan klimaatverandering, uiterlijk in 2050.

In de uitnodiging voor deze bijeenkomst heeft u kunnen lezen dat ik het vandaag zal hebben over de vraag hoe gevestigde energiebedrijven kunnen bijdragen aan de energietransitie. En – gegeven het feit het succes hiervan ook afhankelijk is van internationale marktontwikkelingen – hoe zij de weg kunnen helpen bereiden voor duurzame energiebronnen die de energievoorziening uiteindelijk volledig moeten overnemen?

Het eerste antwoord dat ik hierop zou willen geven, is dat we moeten erkennen dat zij, zoals ik in mijn inleiding zei, onmisbaar zijn. Het is in sommige kringen bon-ton om grote industriële energieconcerns zoals Shell heftig te bekritiseren, maar dat is contraproductief. Laat het voor iedereen duidelijk zijn dat de gigantische investeringen die voor de energietransitie noodzakelijk zijn, niet opgebracht kunnen worden door beginnende innovatieve ondernemingen, in duurzame energie gespecialiseerde bedrijven of de individuele belastingbetaler. We zijn hiervoor ook en misschien wel grotendeels aangewezen op de kennis en middelen van grote olie- en gasconcerns, die een steeds groter deel van hun inkomsten aan duurzame innovaties en activiteiten kunnen en naar mijn overtuiging in hun eigen belang zullen moeten besteden. Hiervoor zullen zij hun strategie en verdienmodellen moeten aanpassen. Doen ze dat niet, dan zetten zij hun continuïteit op de langere termijn op het spel. Maar zij kunnen dat alleen als ze ook blijven investeren in bestaande fossiele energie. Dat moet om de simpele reden dat we de mondiaal groeiende honger naar energie de eerste decennia onmogelijk kunnen stillen met alleen maar hernieuwbare energiebronnen. Dat is de echte paradox. Eentje die we als samenleving voorlopig voor lief zullen moeten nemen.

Hoe pakken de gevestigde bedrijven dit aan? Vier jaar geleden heeft een onderzoekster, Magda Smink, dit bestudeerd. Een van onze medewerkers heeft voor de voorbereiding van deze lezing de betreffende afstudeerscriptie uit het archief opgeduikeld. De resultaten van Sminks onderzoek zijn ondanks de tijd die sindsdien is verstreken, nog onverminderd actueel. Ze beschrijft in haar scriptie hoe de energietransitie een enorme uitdaging vormt voor zowel het bedrijfsleven als overheden. De gevestigde bedrijven of incumbents worden geconfronteerd met een onzekere toekomst nu de samenleving haar eisen op dit punt steeds verder opschroeft. Tegelijkertijd zijn duurzame alternatieven nog niet echt economisch, dus afhankelijk van overheidssubsidies, en boeken daardoor te weinig vooruitgang om voldoende energie te produceren. De bedrijven, aldus nog steeds Magda Smink, reageren op verschillende manieren op deze situatie. Sommige investeren steeds meer in groene energie, zoals Shell en Engie. We hebben recentelijk gezien hoe andere zich opsplitsen in een ‘groen’ en ‘fossiel’ deel zoals E.on/Uniper. Weer andere doen juist niets of beperken zich tot kleinschalige projecten en onderzoek, zoals de meeste staatsoliebedrijven.

Wat al deze ondernemingen gemeen hebben, is dat ze ook moeten omgaan met wat Smink de institutionele uitdaging noemt: verandering van wetten en regelgeving over tal van gerelateerde onderwerpen, zoals brandstofkwaliteitseisen, veiligheidsnormen voor verwarmingsinstallaties, e.d. Ze geeft daarbij diverse voorbeelden van de manieren waarop de gevestigde orde probeert om bestaande institutionele voorzieningen te behouden of veranderingen juist te voorkomen. Maar niet alleen. Ook de ondernemingen die serieus werk maken van energietransitie passeren de revue. Een van de gevestigde gasbedrijven die volgens haar actief hebben bijgedragen en bijdragen aan de benodigde institutionele verandering is … GasTerra. Zij noemt in dat verband specifiek onze inzet voor groen gas. U mag best weten dat ik daar een beetje trots op ben. Als gasbedrijf word je dezer dagen bepaald niet overladen met complimenten.

Laat ik een aantal andere voorbeelden van onze transitieactiviteiten noemen. Ik verwees aan het begin van mijn lezing al naar het succes van de HR-ketel. Wij zijn er altijd van overtuigd geweest dat de energietransitie noodzakelijk is en in het belang van ons allen moet worden versneld. We hebben ondervonden dat dit met vallen en opstaan gaat. Ik weet niet wie van u wel eens van de beoogde opvolger van de HR-ketel, de HRe-ketel, heeft gehoord. Het is een kleine warmtekrachtcentrale waarmee huizen niet alleen kunnen worden verwarmd maar die ook elektriciteit produceert. Net als de grote warmtekrachtcentrales zijn zulke ketels ongekend efficiënt. En toch hebben ze het niet gehaald. De subsidies die nodig waren voor een succesvolle marktintroductie besteedde de overheid liever aan energie die nagenoeg 100 procent duurzaam is zoals wind- en zonne-energie. De bestaande grote WKK-centrales lijden door dezelfde oorzaak een kommervol bestaan. Uit een oogpunt van noodzakelijke CO2-reductie niet echt handig, maar ja, u weet, alles wat op aardgas werkt, heeft het in ons land tegenwoordig bij voorbaat moeilijk.

Gelukkig is niet alles wat we in de loop der jaren op dit vlak hebben ondernomen uitgedraaid op een teleurstelling. We zijn vanaf het begin enthousiast deelnemer geweest aan het project Duurzaam Ameland. Doel is dit Waddeneiland 20 jaar voorop te laten lopen in de energietransitie. Daarvoor zijn tal van initiatieven ontplooid: een test, tien jaar geleden al, met bijmenging van waterstof in het plaatselijke gasnetwerk; de aanleg van een zonneweide; de installatie van brandstofcellen die met groen gas groene elektriciteit produceren, enzovoort. In Groningen werken we samen met de Rijksuniversiteit Groningen, de Hanze Hogeschool. We zijn actief betrokken bij het Energy Transition Center van beide instellingen voor hoger onderwijs, EnTranCe, en medeoprichter en medefinancier van de Energy Academy, die nu is opgegaan in de New Energy  Coalition. We steunen educatieve activiteiten in scholen, onder meer met lesmateriaal en – samen met de Rijksuniversiteit en Gasunie – met een tot klaslokaal omgebouwde truck, waarin scholieren van middelbare scholen in het hele land energieles krijgen. Ook door evenementen te organiseren voor leraren en leerlingen en door jonge mensen via bijzondere projecten te doordringen van het belang van de energietransitie en verduurzaming. En Last but not least hebben we diverse wetenschappelijke studies laten verrichten naar het functioneren van markten en de rol van aardgas en hernieuwbaar gassen in de energietransitie.

Een recent voorbeeld hiervan is het onderzoek dat een Gronings team onder leiding van professor Machiel Mulder op ons verzoek heeft verricht naar de marktkansen voor duurzame waterstof. Waterstof is hot. Het wordt gezien als een kansrijke vervanger van aardgas, met een hoger potentieel zelfs dan bio-methaan oftewel groen gas. Dat is begrijpelijk. Uit groene elektriciteit, meestal opgewekt door windmolens, kun je door middel van elektrolyse duurzame of groene waterstof maken. Bij verbranding komt het onschadelijke waterdamp vrij. En omdat het een gas is, is het veel gemakkelijker op te slaan en over grote afstanden te transporteren dan stroom.

En toch, dames en heren, is groene waterstof nog lang geen gelopen race. Ik leg graag uit waarom.

Om binnen afzienbare tijd grote stappen te kunnen zetten bij de ontwikkeling van een waterstofmarkt, zal schaalgrootte gecreëerd moeten worden. Daarvoor is een tussenstap nodig die blauwe waterstof heet. Dat is waterstof die uit een fossiele grondstof wordt geproduceerd, gewoonlijk aardgas, en waarvan de CO2-voetafdruk wordt geneutraliseerd door Carbon Capure & Storage, CCS. Uit het onderzoek van professor Mulder en zijn team bleek onomstotelijk dat het veel economischer en eenvoudiger is om volume te creëren met blauwe waterstof dan met groene waterstof. De kostprijs van blauwe waterstof is namelijk veel lager dan die van groene waterstof. Groene waterstof wordt, aldus opnieuw de onderzoekers, pas kosteneffectiever dan blauwe waterstof bij structureel relatief lage elektriciteitsprijzen in vergelijking met de gasprijzen. Ik zal u niet vermoeien met de getallen en berekeningen – die kunt u in het op onze website en die van de Rijksuniversiteit gepubliceerde onderzoeksrapport vinden – maar de hiervoor benodigde prijsniveaus zijn niet binnen afzienbare tijd te verwachten, doordat de elektriciteitsprijs voor het overgrote deel van de tijd wordt bepaald door de marginale kosten van gascentrales. Iets wat naar verwachting niet snel zal veranderen. Bovendien heeft Nederland een enorme opgave om de elektriciteitsvraag te verduurzamen. Het is daardoor sterk de vraag of het additionele vermogen aan duurzame elektriciteitsproductie dat de komende decennia zal worden gerealiseerd, ingezet gaat worden voor de productie van groene waterstof. De ontwikkeling van blauwe waterstof is al met al essentieel om groene waterstof de kans te bieden die hij verdient.

Ik noem dit voorbeeld om te benadrukken hoe belangrijk markten zijn voor een succesvolle energietransitie. Net als, daar heb je ze weer, de gevestigde bedrijven, die weten hoe je zulke markten moet maken en managen. Wie het over energietransitie heeft, beperkt zich vaak tot veelbelovende innovaties, inzet van baanbrekende technologie, installatie van meer en gevarieerder duurzame energiebronnen, vergroting van energie-efficiëntie en investeringskosten. Maar al deze factoren zijn afhankelijk van de werking van markten. Zolang er geen markt voor waterstof als brandstof is, heeft het weinig zin te praten over grootschalige investeringen in technologie en middelen. De producent moet zicht hebben op rendement en daarvoor heeft hij kopers nodig. En die bevinden zich niet aan het einde van één pijpleiding maar maken deel uit van een complex systeem met duizenden aansluitingen. De handel in zo’n product zal dus, net als die van aardgas, olie en andere commodities, virtueel zijn, waarbij het product vele malen van eigenaar kan wisselen voordat het fysiek de eindgebruiker bereikt.

Tot slot wil ik graag ter overdenking nog één aspect noemen: energietransitie en voorzieningszekerheid zijn niet noodzakelijk elkaars vrienden. We willen graag zo snel mogelijk de doelstellingen van het Akkoord van Parijs halen, maar tegelijkertijd garanderen dat voldoende energie beschikbaar blijft voor onze almaar groeiende wereldeconomie. Ook daarin speelt de vrije markt, en daarmee het gevestigde bedrijfsleven, een hoofdrol. Energiedragers concurreren met elkaar. Dure hernieuwbare met goedkope conventionele. Om de gewenste transitie te realiseren grijpen overheden daarom in met belastingen, subsidies en middelen zoals het ETS om de balans in het voordeel van duurzame alternatieven om te laten slaan. Die ingrepen mogen niet concurrentieverstorend werken, noch binnenslands, noch internationaal. In een nationale context is dat al geen eenvoudige opgave, laat staan in de geopolitieke werkelijkheid, met al die landen in verschillende ontwikkelingsstadia, met uiteenlopende belangen, met regeringen van verschillende politieke kleur, systemen en verschillende visies op klimaatverandering en de noodzakelijke maatregelen. We mogen ook niet vergeten dat klimaatverandering en energievoorziening niet de enige vraagstukken zijn die de mensheid moet zien op te lossen. Wie zich fulltime ophoudt in de energie- en klimaatbubbel, wil dat nog wel eens vergeten. Onderwijs, zorg, immigratie, huisvesting, werkgelegenheid, enzovoort, het is allemaal belangrijk en het kost allemaal bakken met geld. Dat vereist dat we keuzes maken, pijnlijke keuzes vaak, die tot gevolg hebben dat iedereen moet inschikken. Wie vindt dat dit niet moet gelden voor klimaatverandering, omdat het de “moeder aller problemen” zou zijn en stevig klimaatbeleid daarom de kortste weg naar een betere wereld is, heeft een overzichtelijk wereldbeeld maar tegelijkertijd bitter weinig realiteitszin.

Ik ga afronden. De kern van mijn betoog vandaag was dat ik een tweeledige boodschap heb over en voor gevestigde energiebedrijven. Ten eerste voor de samenleving: ze zijn onmisbaar voor een snelle en succesvolle transitie naar een klimaatneutrale energievoorziening, maar zullen niettemin nog lange tijd uit fossiele bronnen moeten putten. Ten tweede voor henzelf: die onmisbaarheid brengt een dure plicht én kansen met zich mee. De plicht om verduurzaming tot centraal onderdeel te maken van de bedrijfsstrategie. En kansen voor nieuwe verdienmodellen, die op kortere termijn waarschijnlijk niet de riante rendementen van weleer opleveren maar wel de continuïteit op langere termijn veilig kunnen stellen.

Er is op dit punt nog een wereld te winnen.

Dank u wel.