De koppeling van aardgas aan olie kent een historische oorsprong, maar in de huidige markt zijn andere prijsbepalende varianten in opkomst.
Na de vondst van grote aardgasreserves in Nederland eind jaren '60 moest de waarde van dat aardgas worden bepaald. Besloten is de gasprijs te baseren op de prijs van de alternatieve brandstof(fen) die bedrijven en huishoudens gebruikten vóór de vondst van de gasreserves (de 'oliekoppeling'). Er is toen gekozen voor deze prijsmethodiek, omdat daarmee de waarde van gas als brandstof in de markt het beste wordt gereflecteerd. Stookolie voor de industrie en huisbrandolie voor de huishoudens werden daarmee de referentiebrandstoffen. Dezelfde methode is door de meeste Europese landen overgenomen en wordt vrijwel overal op het continent gebruikt. De meeste verkoopcontracten van Europese en niet-Europese aanbieders zijn nog steeds gebaseerd op de oliekoppeling. Dat is ook wel verklaarbaar.
Prijskoppeling aan olie bevordert investeringen in gasvelden en pijpleidingen, die vaak miljarden euro's kosten. Veel investeerders (bijvoorbeeld grote energiebedrijven, banken, pensioenfondsen) zijn slechts bereid een olieprijsgerelateerd risico voor hun investeringen te accepteren. Dit is mede de oorzaak dat in grote delen van de wereld olie nog de leidende brandstof is en dat in ons werelddeel er nog aanzienlijk minder gas onafhankelijk van de olieprijs verhandelbaar is. Of, zoals dit in het jargon heet: aardgas is minder liquide. Op dit gebied zien we echter dat de ontwikkelingen naar meer gashandel, waaronder een actief TTF in Nederland sinds 2003, zijn toegenomen.