Kleineveldenbeleid

Vóór 1974 ontplooiden producenten, waaronder de Nederlandse Aardolie Maatschappij (NAM), op grote schaal opsporingsactiviteiten naar gasvelden, maar dit leidde niet tot extra gaswinning. Een combinatie van relatief hoge winningskosten en gebrek aan afzetzekerheid zorgden voor grote investeringsrisico’s. De eerste oliecrisis in 1973, waarbij Arabische olieproducerende landen een olieboycot afkondigden tegen een aantal landen waaronder Nederland, zorgde ervoor dat de Nederlandse regering de winning van aardgas uit eigen bodem wilde stimuleren.

De ondergrond van Nederland werd verder in kaart gebracht en er bleken meer ondergrondse plekken in Nederland te zijn waar aardgas mocht worden verwacht. In Drenthe, Overijssel, Friesland en op tientallen plaatsen onder de Noordzee werden gasvelden aangetroffen en aangeboord. Nergens werd zo’n groot veld aangetroffen als onder de Groningse bodem, maar alles bij elkaar zaten er toch honderden miljarden kubieke meters extra aardgas in de Nederlandse bodem.

Deze kleinere velden waren echter relatief duur om te exploiteren en vaak nauwelijks rendabel. De kosten van de vele zoektochten, de noodzaak om vaker te boren om één keer raak te zitten en de hoge kosten van de productiemiddelen waren hoog in verhouding tot de relatief kleine hoeveelheden aardgas die gewonnen konden worden. De overheid wilde dit gas toch graag inzetten om de Nederlandse samenleving maximaal te laten profiteren van de eigen aardgasvoorraden en om het Groningenveld als strategische voorraad te ontzien. De Nederlandse regering introduceerde daarom in 1974 het kleineveldenbeleid.

Een essentieel onderdeel van het kleineveldenbeleid is dat er voor het geproduceerde gas uit de kleine velden altijd een koper is. Om dit te bewerkstelligen werd de N.V. Nederlandse Gasunie verplicht om dit gas bij voorrang tegen een marktconforme prijs in te kopen. Bij de splitsing van Gasunie in het netwerkbedrijf Gasunie en het handelsbedrijf GasTerra in 2005, ging deze verplichting over op GasTerra. De plicht om het gas te transporteren is overgegaan op netbeheerder Gasunie Transport Services (GTS).

In de loop van de jaren zijn door dit beleid tientallen gasvelden aan de Nederlandse voorraad toegevoegd. De kleine velden hebben vele jaren achtereen een groter aandeel geleverd aan de afzet dan het Groningenveld. De piek in de aardgasproductie uit de kleine velden lag rond het jaar 2000. Sindsdien is er sprake van een geleidelijke daling. De verwachting is dat de deze daling de komende jaren zal doorzetten.