Handel via contracten

Na de vondst van grote aardgasreserves in Nederland eind jaren ’60 diende de economische waarde van het aardgas te worden bepaald. Besloten werd de aardgasprijs te baseren op de prijs van de alternatieve brandstof(fen) die bedrijven en huishoudens gebruikten vóór de vondst van de aardgasreserves. Stookolie voor de industrie en huisbrandolie voor de huishoudens werden de referentiebrandstoffen.

Er werd destijds gekozen voor deze prijsmethodiek, omdat daarmee de waarde van aardgas als brandstof het beste kon worden bepaald. Deze methodiek werd daarna door veel Europese landen overgenomen.

Hoewel de gas-olieprijsbinding met name in langlopende exportcontracten nog steeds wordt gehanteerd, wordt de binnenlandse marktwaarde meer en meer bepaald door de prijsontwikkeling op virtuele gashandelsplaatsen, waar gasvolumes diverse malen van eigenaar kunnen wisselen voor ze de gebruiker bereiken. Voorbeelden van zulke handelsplaatsen zijn het Britse NBP (National Balancing Point) en de Nederlandse TTF (Title Transfer Facility).

GasTerra beschouwt de toenemende invloed van deze handelsplaatsen op de prijsvorming als een gunstige ontwikkeling. Door de jarenlange ervaring en de flexibiliteit van het Groningenveld kan GasTerra diverse product- en prijsconcepten aanbieden, die inspelen op de veranderingen in de gasmarkt. Zo kunnen afnemers kiezen voor een vaste prijs of een spotmarktgeïndexeerde prijsformule op basis van vraag en aanbod. Uiteraard is ook maatwerk mogelijk.