Vondst en opkomst

GasTerra’s activiteiten gaan terug tot het begin van de jaren zestig. Het begon allemaal met de vondst van het Groningenveld in 1959 en de daaropvolgende opkomst van aardgas.

Nu heeft 98 procent van de huizen in Nederland een gasaansluiting en ongeveer 50 procent van de elektriciteit wordt in Nederland geproduceerd in aardgasgestookte centrales. Daarmee is Nederland nog steeds het land met het meest intensieve aardgasgebruik ter wereld.

Jaren '60

De Nederlandse Aardolie Maatschappij (NAM) trof in 1959 aardgas aan onder de Groningse bodem. Toen was nog niet meteen duidelijk wat voor enorme economische waarde aardgas kon hebben. Pas enkele jaren later, door nieuwe boringen in de omgeving, werd duidelijk hoe immens groot het Groningenveld was: het bleek het tot dan toe grootste ontdekte aardgasveld ter wereld met een inhoud van zo’n 2800 miljard kubieke meter. De ontdekking leidde tot de oprichting van de N.V. Nederlandse Gasunie in 1963, als verkooporganisatie en transportbedrijf van het Nederlandse aardgas. In hoog tempo werden aardgasleidingen in de grond gelegd, toestellen als geisers, kookplaten en ovens werden omgebouwd om in plaats van stadsgas te kunnen werken met aardgas. Stookfornuizen en kolenkachels werden vervangen door gasfornuizen en centrale verwarming. Binnen tien jaar kon driekwart van Nederland over aardgas beschikken en waren kolen en olie niet langer de brandstoffen die in huizen of kantoren werden gebruikt. Ook de industrie, de elektriciteitsproducenten en de tuinbouw zagen snel de mogelijkheden van het schone aardgas. In diezelfde jaren werd ook de basis gelegd voor de Europese ontwikkeling van het aardgasgebruik. Met Duitsland, België, Frankrijk, Zwitserland en Italië werden exportcontracten afgesloten. Deze internationale verkopen vormden de opmaat naar de Europese gasmarkt.

Jaren '70

In de jaren ’70 nam door twee oliecrises de waarde van aardgas toe, groeide de zorg voor het milieu en ontstond de opvatting dat kernenergie tegen de eeuwwisseling de dominante energiebron zou worden. Aardgas had in die visie dus nog maar een beperkte economische houdbaarheid. Deze overtuiging zou echter al snel plaatsmaken voor het inzicht dat voor aardgas juist een lange toekomst was weggelegd, waarbij aardgas als schoonste van de fossiele brandstoffen ook nog eens uit milieuoverwegingen aan aantrekkelijkheid won. Dit nieuwe inzicht leidde tot het kleineveldenbeleid: het aardgas uit kleine velden werd met voorrang ingenomen om zodoende het Groningenveld als strategische voorraad te sparen.

In de loop van de jaren zijn hierdoor tientallen gasvelden aan de portfolio toegevoegd en hebben de gasstromen uit die kleine velden vele jaren achtereen een groter aandeel geleverd aan de afzet dan die uit het grote Groningenveld.

Jaren '80/'90

Vanaf de jaren ’80 vertoonden de prijzen na de schoksgewijze verhogingen als gevolg van de oliecrises in de jaren ’70 een grilliger beeld. Deze crises gaven des te meer reden voor een behoedzaam energiebeleid en Nederland maakte grote vorderingen met energiebesparing en -bezuiniging. Het gasgebruik in huizen daalde van gemiddeld 3.000 m3 in de jaren ’70 naar onder de 2000 m3 eind jaren ’90. Isolatie, dubbele beglazing en vooral ook de hoogrendementsketel bewerkstelligden deze ontwikkeling. Ook in de industrie werden fikse efficiencyslagen gemaakt, onder andere door het Milieu Plan Industrie, waarmee GasTerra ook nu nog zijn industriële klanten van dienst is.