De vondst van het Groningenveld en de snelle invoering van aardgas deed niet alleen de populariteit van aardgas stijgen, maar ook de interesse in meer. In de jaren ’70 werd daarom actief gezocht naar andere velden. De ondergrond van Nederland werd in kaart gebracht en er bleken meer ondergrondse plekken in Nederland te zijn waar aardgas mocht worden verwacht. In Drenthe, Overijssel, Friesland en op tientallen plaatsen onder de Noordzee werden gasvelden aangetroffen en aangeboord. Nergens werd zo’n groot veld aangetroffen als onder de Groningse bodem, maar alles bij elkaar zaten er toch honderden miljarden kubieke meters extra aardgas in de Nederlandse bodem. Deze kleinere velden waren relatief duur om te exploiteren. De kosten van de vele zoektochten, de noodzaak om vaker te boren om één keer raak te zitten en de hoge kosten van de productiemiddelen waren hoog in verhouding tot de relatief kleine hoeveelheden aardgas die gewonnen konden worden. De overheid wilde dit gas echter graag inzetten om het Groningenveld als strategische voorraad te ontzien en introduceerde daarom het zogeheten kleineveldenbeleid. Dit beleid bood producenten aantrekkelijke fiscale voordelen en gaf hun een afzetgarantie. De producenten waren niet tot verkoop verplicht, maar kregen in Gasunie een koper die te allen tijde het gas zou afnemen tegen de markconforme prijzen. In de loop van de jaren zijn hierdoor tientallen gasvelden aan de Nederlandse voorraad toegevoegd. De kleine velden hebben vele jaren achtereen een groter aandeel geleverd aan de afzet dan het Groningenveld.