Wanneer in Nederland in 1963 Gasunie als verkoopbedrijf van het vaderlandse aardgas wordt opgericht, ontstaat het volgende beeld: kolen en olie zijn de meest gebruikte brandstoffen, Nederland telt ongeveer honderdvijftig lokale of regionale nutsbedrijven en aardgas in de vorm van kolengas, of cokesgas en een beetje natuurgas, heeft een gering marktaandeel.
Gevolgen en succes
De invoering van aardgas kan worden getypeerd als een marketingsucces van de eerste orde. In nauwelijks tien jaar stapt Nederland over op deze bron van energie. Daarvoor waren twee enorme aanpassingen in Nederland nodig: in hoog tempo moest er een netwerk van hoofd- en distributieleidingen worden aangelegd en in de huizen moesten de stookfornuizen en kolenkachels worden vervangen door gasfornuizen en centrale verwarming. Aardgas werd zonder omwegen aanvaard als een kenmerk van de nieuwe tijd, van de kersverse welvaart. Binnen twintig jaar werd Nederland aardgasland bij uitstek met een dekkingspercentage in de huishoudsector van 98% en een aandeel in de primaire energievoorzienig van circa 50%. Er bestaat geen land ter wereld, dat bij deze cijfers zelfs maar in de buurt komt.
Kleine velden
De snelle invoering van aardgas deed niet alleen de populariteit stijgen, maar ook de interesse in meer. Dus werd er voortvarend gezocht naar andere velden. De ondergrond van Nederland werd in kaart gebracht en er bleken meer ondergrondse plekken in Nederland te zijn waar aardgas mocht worden verwacht. In Drenthe, Overijssel, Friesland en op tientallen plaatsen onder de Noordzee werden gasvelden aangetroffen en aangeboord. Nergens zoveel als onder de Groningse bodem, maar alles bij elkaar honderden miljarden kubieke meters.
Deze kleine veldjes waren relatief duur om te exploiteren. Ga maar na: vele zoektochten, diverse boringen om een keer raak te zitten en kostbare productie-eenheden, zeker op zee, voor kleine hoeveelheden aardgas. Om toch die gasparels, die samen een juwelendoos vol vormden, in productie te brengen, bedacht de regering het zogeheten kleineveldenbeleid. Het was even eenvoudig als doeltreffend. Afgezien van aantrekkelijke fiscale voordelen kregen de producenten een afzetgarantie. Ze hoefden het niet, maar kregen in Gasunie een koper, die te allen tijde het gas zou afnemen tegen de geldende marktprijzen. Zo waren de producenten verzekerd van een koper en van een prijs die ook elders vigeerde. Het kleineveldenbeleid werd een laaiend succes en wordt tot in deze dagen gecontinueerd. Door de jaren heen hebben regering en parlement telkens opnieuw dit beleid voorgestaan en gesteund.
